|
Een Reisverslag uit
Egypte

Reizen
kost geld. Dorpsgenoot Jur H. en zijn
reisvriendin Coosje, die afgelopen
winter per openbaar vervoer door Afrika
en het Midden-Oosten toerden, kunnen er
over meepraten. Wilt u
meeluisteren, lees dan verder.
Toeristen zijn in vreemde landen altijd
welkom, omdat ze geld uitgeven. Hoe
meer, hoe liever.
In
ontwikkelingslanden is het leven vaak
spotgoedkoop, vooral wanneer je gaat
eten bij de eethuisjes voor de
plaatselijke bevolking, geen taxi neemt
maar de plaatselijke bus enzovoort.
Mensen in ontwikkelingslanden kijken
tegen toeristen aan als mensen die
allemaal schatrijk zijn.
Het maakt daarbij niet uit, of je
eenvoudig gekleed bent of niet. Reken
maar: toeristen zijn zo rijk dat zij
niet hoeven te werken en zij hebben
zoveel geld dat zij een vliegticket
kunnen kopen voor een bedrag waar iemand
in een ontwikkelingsland misschien wel
maanden met zijn gezin van kan leven.
Daar komt nog bij dat toeristen meestal
in een royale vakantiestemming verkeren
en om die reden het geld gemakkelijk
laten rollen.
Om
toeristen te helpen van hun geld af te
komen, hebben sommige
ontwikkelingslanden een twee-prijzen
systeem ontwikkeld.
Gewone prijzen voor de locale bevolking
en veelal dubbele prijzen voor de
toeristen.
Dat kan gebeuren voor hotels, trein,
restaurants, musea enz. Desondanks is
het leven voor een toerist niet duur
vergeleken met Nederland.
Naar onze maatstaven is het evenwel pure
discriminatie en dat is het ook.
Ik
vind dat niet leuk. Egypte waar ik begin
dit jaar doortrok, is zo’n land met een
twee-prijzen syteem.
De
volgende 2 episoden speelden zich af in
Luxor.
Op
het station is het lang wachten en om
te tijd te doden, ga ik een Engelstalige
krant kopen.
Met een handkar wordt er net een stapel
bij het stalletje op het perron
afgeleverd, zodat ik de nieuwste editie
kan krijgen.
Een jongeman geeft mij een exemplaar en
ik vraag naar de prijs.
Twee Egyptische Pond, zegt hij. Een Pond
is ca. € 0,13.
Goedkoop, want voor € 0,26 krijg je in
Nederland geen krant.
In
de trein zie ik later op de voorpagina
dat de officiële prijs slechts een halve
Pond bedraagt.
Ik
ben gepakt of eerlijker: ik heb me laten
pakken.
Geen goed gevoel.
Bij een andere gelegenheid liep het
beter voor mij af.
Vóór het restaurant in het centrum van
Luxor staat een groot menubord. Links in
het Engels, rechts in het Arabisch dat
van rechts naar links geschreven wordt.
In
het midden staan de prijzen in Arabische
cijfers. Coosje en ik beraadslagen bij
het bord wat we zullen bestellen en ik
reken gelijk even uit hoeveel ik na
afloop moet betalen, omdat daar vaak wat
mis gaat.
Arabische teksten kan ik niet lezen,
maar ik heb wel de kleine moeite genomen
om de 10 Arabische cijfers te leren,
iets dat vrijwel geen enkele toerist
doet.
We
gaan zitten in het restaurant en
bestellen bij de eigenaar onze
avondmaaltijd.
De
linzensoep en de gegrilde kip smaken
voortreffelijk, de sla is goed
aangemaakt en ook de bonen zijn niet te
versmaden.
Na afloop vraag ik wat het moet kosten.”
45 Pond”, zegt de man.
“Dat
kan niet”, antwoord ik, “het is 25 Pond,
komt u maar mee naar het menubord.”
We lopen samen naar buiten en ik reken
hem voor dat het 25 Pond moet zijn.
Zegt de man: “Dit zijn meeneem-prijzen”,
waarop ik bluf: “Dat staat er niet!”.
De reactie van de man die in de
veronderstelling verkeert dat ik
Arabisch kan lezen, is berustend.
We lopen naar binnen en om zijn gelijk
te halen, drukt de man mij de
Engelstalige menukaart in de hand die
inderdaad een totaalbedrag van 45 Pond
aangeeft.
Daarop zeg ik dat ik die menukaart
helemaal niet gezien heb, wat juist was,
en we uitgaande van het menubord met de
Arabische prijzen besloten hadden om in
zijn restaurant te gaan eten.
Daarop geeft de man met een lang gezicht
toe en rekent mij voor dat het 27 Pond
moet zijn en geen 25, want ik was
vergeten om de karaf water à 2 Pond mee
te tellen.
Daar doen we niet moeilijk over en ik
red graag het gezicht van de
Egyptenaar.
Met een volle maag en een tevreden
gevoel verlieten Coosje en ik het
restaurant.
|