|
Geert schreef aan Catrinus en Dickie Annen , op hun verzoek, zijn
herinneringen op. Omdat Dickie van zijn vaders zuster afstamt, komt
opoe Ham helaas bijna niet in het verhaal voor. Geert vertelde
vanaf zijn vijfde jaar dat wat hij onthouden heeft. Ondertussen is
meer bekend via het internet en uit geschriften van mensen in zijn
buurt. Deze gegevens zal ik proberen op de juiste plaats in te
voegen..
Geert werd op 23 juli 1907 geboren in de gemeente Westerbork,
waarschijnlijk op de Haar. In ieder geval woonde de familie Ham
daar toen Geert 5 jaar oud was. Op dat moment herinnert hij zich
niets van zijn vader en hij vermoedt dat die toen in Duitsland
werkte, wat heel goed mogelijk is, omdat veel veenarbeiders dit
deden. Later hoorde hij van zijn vader, dat hij in Duitsland maar
ook in Engeland en Frankrijk had gewerkt. Eerlijk gezegd, kon ik
niet geloven dat de Drenthen zo ver van huis werkten toen. Uit een
geschrift van een tijdgenoot van Geert, Hendriekus Vlietstra uit
Noordsche Schut, bleek dat diens vader ook zo gewerkt had. “De
Engelsen hadden de grote vervener van der Griend gevraagd om
turfgravers naar hen toe te sturen, daar zij de kunst (van de
vervening) daarvan nog niet machtig waren”. Het zou gaan om de
jaren ca 1894-1898. Volgens het verhaal van Vlietstra zijn de
Engelsen en de Drenten in Engeland ook nog met elkaar op de vuist
gegaan. De Drenthen wonnen en de Engelsen moesten hun messteken
laten behandelen in het ziekenhuis, aldus Vlietstra.

De ouders van Geert: Jan Ham en Jantien
Muskee
Op vijfjarige leeftijd ging Geert naar een openbare school op
Tiendeveen, die op ongeveer vijf kilometer afstand lag van zijn
woonplaats . Dat deed hij samen met zijn zus Johanna (tante Anne),
zijn twee oudste broers hadden de lagere school al doorlopen. Twee
grote buurjongens, Chris Hekker en Jan Bekelaar, beschermden de
kleine Hammetjes, waarschijnlijk ook omdat vader Ham door zijn werk
zo langdurig afwezig was. Die steun maakte heel veel indruk op de
kleine Geert, want die namen is hij nooit vergeten. Zoals overal was
er wel eens ruzie met schoolgenoten. Geert werd belaagd door
sterkere jongens en die pakten een klomp van hem af, die ze naar de
hond van de veldwachter gooiden. Een van de grote jongens nam Geert
toen in bescherming.
Het eerste schooljaar werd niet afgemaakt op de Haar. De familie
verhuisde naar Nieuw Balinge en woonde daar aan de Middenraai. De
Middenraai is een vroeger gegraven vaart, van Nieuw Balinge naar
Noordsche Schut, voor de afvoer van turven en later aardappelen,
aldus Geert. In Nieuw Balinge was in 1911 de eerste school gebouwd
(Samenvatting uit het ontstaan Nieuweroord en Nieuw Balinge) en
waarschijnlijk maakte Geert daar de eerste klas af. Een groep
kinderen bezocht een Christelijke lagere school in een ander dorp op
ca 6 kilometer afstand en de ouders daarvan wilden een dergelijke
school in hun buurt. Ze kwamen met een lijst rond en ook vader Ham
tekende, want hij vond de onderwijzer van de openbare school niet
goed en ook te oud. De School met de Bijbel (volgens Geert de
Christelijke Nationaal School, met als hoofdonderwijzer de Fries
Haakma) werd gesticht en Geert ging daar naar de vierde klas. Het
was een grote verandering voor hem; er werd uit de Bijbel gelezen,
gebeden en gedankt en iedere week moest er een psalmversje geleerd
worden.
Aan de Middenraai werd het Geert pas duidelijk, dat zijn vader
voorheen vaak in Duitsland werkte gedurende de zomermaanden. Later,
in Nieuw Balinge, werkte hij vanaf eind maart tot juni in het veen
van zuidoost Drente, in Borgeroosterveen en Nieuw- Amsterdam en
omgeving. In de zomermaanden vertrok vader voor de oogst naar
Noord-Holland.
In de wintermaanden was Geert’s vader slachter en hij was dus nooit
zonder werk zoals zoveel Drenten wel meemaakten. Per dag slachtte
hij wel zo’n vijf of zes varkens, waarvan hij de andere dag
producten ging inzouten in een ton. Voor elk varken ontving hij twee
gulden vijftig en dat was veel voor die tijd. Geert hielp zijn vader
bij het slachten en ik hoorde van familie dat ook andere zoons hun
vader bijstonden. Geert vertelde dat zijn vader bij dat werk zeer
schoon en zorgvuldig te werk ging.
Op school was Geert ondertussen een voortreffelijke leerling, die
tot het eind toe de hoogste cijfers behaalde. Hij was gesteld op
zijn onderwijzer. Helaas kreeg meester Haakma na een paar jaar een
conflict met het bestuur en de schoolinspecteur moest eraan te pas
komen. Vader Ham nam vrijaf om de meester bij te staan. De vier
beste leerlingen, waaronder Geert, maakten opgaven op het bord. De
inspecteur was zeer tevreden en constateerde dat in heel Drenthe en
Overijssel geen school zover vooruit was als deze.
Aan de Middenraai woonden de Hammen naast Cornelis Sok, eigenaar van
een boerderij met koeien, weiland en bouwland. Geert kwam vaak bij
het gezin Sok over de vloer en dan at hij daar mee (pannenkoeken
met melk).
De eerste winter in Nieuw Balinge was erg streng en toen moet het
geweest zijn, dat oom Andries (Veldman) met zijn schip recht voor
hun huis is vast gevroren. Het zou de winter van 1912/1913 of de
winter van 1913/1914 geweest zijn. De wijken (op het veen) waren
dicht gevroren. Vader Ham kon zeer goed schaatsen. Per slee, vader
Ham er voor, moeder met kinderen toegedekt met dekens in de slee,
ging het op naar tante Hendrikje(zuster van vader Ham) en oom Gelmer
op Achterom. Op een ophaalbrug las Geert nog zoiets als Kremborg.
Naast de familie Sok woonden de Hammen ca anderhalf jaar, waarna ze
vijfhonderd meter verderop gingen wonen in één van de nieuw gebouwde
huizen. Geert vermoedde, dat deze huizen gebouwd waren door een
zekere Robertus, die tevens eigenaar was van een in de buurt gelegen
boerderij, met het doel om werkmensen aan te trekken voor het
vervenen van een veencomplex. Vader Ham heeft daar turf gegraven en
moeder Ham zette de turf in hokken voor brandbaar drogen. Na het
drogen werden de turven in grote hopen bijeengebracht en daarna
afgedekt met een dak van hele turven. Robertus woonde in Winschoten
en op zijn boerderij had hij een zetboer aangesteld voor het beheer
en voor het regelen van de veenderij. Bij het turfgraven moest de
bovenste laag, bestaande uit heideplag met daaronder de bolsterlaag,
terug geplaatst worden. De afgegraven terreinen werden daarna egaal
gemaakt met de grond uit de eertijds gegraven Middenraai en uit de
gegraven sloten. Vader Ham was hierbij ook betrokken in
ploegverband, in akkoordwerk.
De boerderij van Robertus leverde bij het oogsten werk voor vele
handen bij het rooien van aardappelen, voorafgegaan door het maaien
van granen, zoals rogge, gerst, haver en boekweit. Deze granen
werden opgeslagen in schuren en mijten. Het rooien van aardappelen
werd gedaan gedurende ca twee maanden. Daarvoor werden door een
ploegbaas ploegen gevormd van zes tot tien arbeiders. De ploegbaas
maakte een akkoord met de boer per rij van 100 meter. De prijs werd
bepaald per gewas en eventueel naar voorkomend onkruid. Het grootste
deel van de begroting ging naar de aardappelrapers. Het dorsen in de
herfst en de winter gebeurde met dorsmachines, die van boer naar
boer gingen, dus dit werk leverde weinig arbeidsplaatsen op.
Geert vertelt:”Nadat de vervening in de omgeving bijna teneinde was
gekomen(ik moet ca elf of twaalf jaar zijn geweest) is naar ik mij
herinner de Drentsche Ontginningsmaatschappij opgericht”. (Maar zie
Ontstaan Nieuweroord en Nieuw Balinge: 1902, Het ontginnen van
woeste gronden , zowel van afgeveende dalgronden als andere gronden
in de veenkolonie Nieuweroord geeft in de herfst en winter vele
handen werk”, aldus Y. Rinsma, secretaris van Westerbork,
19-11-1954) hierdoor kwam de ontginning van de dalgronden in een
stroomversnelling, boerderijen werden gebouwd en voor timmerlieden
met hun helper werd werk geschapen. Het ontginningswerk werd met
ploeggroepen, in akkoordwerk uitgevoerd. Menige werkputten heeft
Geert toen voor vader Ham uitgerekend, met behulp van de gegevens
van de metingen verstrekt door de ploegbaas. Dit als controle voor
de ploeg.
De familie was intussen verhuisd naar een boerderijtje op korter
afstand van het werk. Niet alleen voor het werk, maar ook voor de
verbouw van eigen aardappelen, rogge, haver en zelfs boekweit. De
boekweit werd tot meel gemalen voor pannenkoeken, de rogge als meel
voor een slachtvarken. Geert: “In gedachten zie ik nog de rijen
worsten aan het zolderplafond hangen”. Ook kippen werden gehouden
van afval en granen. “Hiervan herinner ik mij, dat van een broedsel
kuikens een hennetje een gebroken poot had opgelopen. Door dit euvel
was het mak geworden, zodat het uit onze handen ging eten. Bij
volwassenheid legde dit hennetje toch 5 eieren per week”. Geert
schat dat de familie tot ca zijn dertiende jaar hier gewoond heeft;
het pechjaar voor zijn studie. Omstreeks 1920 dus was het dat vader
Ham een stukje grond wist te bemachtigen van ca 1 ha groot, woest,
met een gedeelte veen voor een paar jaar eigen brandstof. Op de
grond liet vader Ham een boerderijtje zetten door Hendrik Vos. Omdat
nog een weg aangelegd moest worden bleef van het perceeltje 90 are
over. Op de grond werden voor het merendeel aardappelen verbouwd
(rode star). De grond koste 80 gulden. Voor het bouwen van het huis
leende vader Ham 800 gulden van een zekere (Jac. volgens Vlietland)
Troost, een bakker, die op Noordsche Schut woonde en die tussen de
schutsluis en de Middenraai ventte.
Nadat Geert alle klassen van de lagere school doorlopen had, kwam
meester Haakma bij vader Ham met het voorstel om zijn zeer goede
leerling te mogen laten doorleren voor onderwijzer. Haakma kreeg
toestemming om Geert op te leiden tot de toelating van de tweede
klas en hij zou daarvoor een beurs aanvragen. De boeken hiervoor
werden gratis door de Christelijke pedagogische school in Nijmegen
opgestuurd. Hij slaagde voor het toelatingsexamen tot de tweede
klas. De uitzet van kleding en schoeisel was aangeschaft en Geert
zou dus spoedig vertrekken om de verdere opleiding intern voort te
zetten aan de pedagogische school in Nijmegen. Helaas werden zijn
moeder en zijn broer Jannes (enkele dagen later) ziek en werden
beide in het ziekenhuis opgenomen. Zijn broer had een dubbele
longontsteking. Wat zijn moeder mankeerde weet ik niet, maar ik heb
gehoord, dat zij wel een jaar afwezig is geweest. De studie werd
stopgezet daardoor vanwege de vele onkosten. Geert noemde dit
gebeuren ergens ”een rampjaar”.
Niets doen kon natuurlijk niet, dus zijn vader zocht werk voor hem.
Zo werd Geert dan hulpje bij een smid annex fietshersteller. Hij
moest de nagels maken voor de hoefijzers en deze aanreiken aan de
smid bij het beslaan van het paard. Hij heeft bij de smid maar een
maand of drie en misschien een half jaar gewerkt. In de smidse
werden zijn luchtwegen geprikkeld door de dampen, waardoor hij ging
hoesten. Dus werd er werk gezocht in de buitenlucht en kwam hij als
hulpje terecht bij een bouwboer. Bij de boer ging het een jaar goed.
Geert mocht met paarden werken, wieden op de akker, enz. Vader Ham
informeerde regelmatig hoe het ging met het werk en hij was
aanvankelijk zeer tevreden. Toen de boer (een Groninger las ik
ergens) Geert zware balen kunstmest liet kruien, greep vader in en
volgde ontslag. Het Staatsbosbedrijf vroeg plantjongens en meisjes
met ingang van het plantseizoen (half november) en Geert werd
aangenomen. Het seizoen liep af in midden april en dan werden de
jongens en meisjes ontslagen. De boswachter was tevreden over hem en
hij mocht de rest van het jaar ook blijven voor het onderhoud van de
aangelegde kwekerij. Als plantjongen verdiende hij een gulden vijf
en twintig en nu kreeg hij opslag tot een gulden vijftig per dag.
Vader Ham ging die zomer, met zijn twee oudste zoons in
Noord-Holland werken tijdens het oogstseizoen en ze verdienden daar
zo’n 30 gulden per week, wat voor die tijd (1922) heel veel was.
Hoewel Geert ca 16 jaar oud was, vonden zijn broers dat hij ook
maar daar moest komen werken, dus schreef broer Jannes hem dat. Hij
had het naar zijn zin bij het Staatsbos, maar nam ontslag omdat veel
meer verdienen zijn voorkeur had (bijna net zoveel als zijn broers).
Aangekomen in Schermerhorn, viel het onderkomen wat tegen; een
schuur met strozakken om op te slapen. Het eten was goed! De
groenten en de aardappelen zo van het land; hij leerde daar uien
eten en die kreeg hij zelfs zacht geroosterd op het brood (is heel
zijn verdere leven dol op uien gebleven). Vader zorgde overal goed
voor en Geert was blij met de hoge beloning.”Het was hard werken,
maar de verdienste, vijfentwintig tot dertig gulden per week, was er
ook naar”. Eind october was het oogstseizoen afgelopen en
vertrokken de vier Hammen met de Zuiderzeeboot naar Zwolle om
vandaar met de trein naar Hoogeveen te gaan. In november werd
begonnen met het huisslachten waarbij Geert zijn vader behulpzaam
was. Het Drentse leven was weer begonnen; ’s morgens pannenkoeken
met één plakje spek in het midden van een pannenkoek en de andere
zonder. Verder op de dag waren er boterhammen met margarine zonder
beleg en ’s avonds het middagmaal. Geert was een slechte eter en
herinnert zich niet veel van het warme maal.
Geert meldde zich weer bij de boswachter, maar die had niet zo’n zin
hem aan te nemen en zei door het ontslag geen werk meer voor hem te
hebben (was ook niet zo netjes gegaan, he Geert). Maar toen Geert
boswachter Meelker na een week of vier eens tegen kwam , werd hij
gelukkig weer voor het werk gevraagd. Aan het eind van het
plantseizoen vroeg Meelker hem om te blijven en werd zijn loon
verhoogd tot twee gulden per dag. Maar na drie maanden nam Geert
toch weer ontslag om te gaan oogsten in Noord-Holland. De
geschiedenis herhaalde zich, want na de oogst was er geen werk en
vroeg Geert weer of hij terug mocht komen bij het staatsbosbedrijf.
De boswachter zei nee en Geert kreeg last van schuldgevoel en durfde
niet op nieuw te vragen. Maar nog voor het plantseizoen kwamen Geert
en zijn vader de boswachter tegen, die van zijn fiets stapte en een
praatje aanknoopte. Tot Geerts vreugde werd hij gevraagd om weer te
komen werken en hij liet blijken dat heel graag te willen. Weer
herhaalde zich de geschiedenis. Na het plantseizoen werd hij
gevraagd om te blijven, maar nu met een loonsverhoging van vijf en
twintig procent, waardoor hij evenveel verdiende als een volwassen
arbeider. En al zou hij gedurende deze zomer toch minder verdienen,
zei hij de boswachter geen ontslag meer te zullen vragen. Hij leerde
een greppel graven met een bepaald talud, percelen bosgrond opmeten
en in kaart brengen, inscharen van vee voor een aangelegde weide,
enz. Geert had later veel spijt van zijn ontslagnames, omdat de
boswachter als een vader voor hem was geweest.

vlnr: Boswachter
Meelker met zijn hond - Geert Ham - Ubbe Severiens op de trekker
Vader Ham ging niet naar de kerk; volgens zeggen had hij als
ouderling een conflict gehad en ik denk dat het mogelijk “de zaak
van Beilen” betreft. Dertig lidmaten van de kerk hadden bij Het
Classicaal Bestuur van Assen geklaagd dat vier kerkeraadsleden op
Nieuwjaarsdag 1894 waren bevestigd en vier andere op Nieuwjaarsdag
1895, in plaats van op een zondag en dat de gehele kerkeraad dus
onwettig was. Moeder Ham ging soms nog wel. Geert was zeer gesteld
op meester Haakma en die sprak met hem over het geloof. Hij begon
naar de kerk te gaan. Zijn vrienden gingen niet naar de kerk en
begonnen op Haakma af te geven. Geert nam daardoor meer afstand van
zijn vrienden. Hij begon de Bijbel te lezen en kwam geleidelijk tot
diep geloof. Op negentienjarige leeftijd kreeg Geert kennis aan een
meisje met een christelijke achtergrond (Margje de Goede). Na
ongeveer een jaar werd de vriendschap verbroken, omdat haar moeder
het niet eens was met deze verkering. Een gesprek met de moeder
mocht niet baten. De geliefden werden uit elkaar gedreven. De moeder
zocht een boer voor Margje en na een half jaar trouwde ze daarmee.
Geert kwam met moeite over zijn verlies heen. Niet lang hierna kreeg
hij op zijn werk bezoek van de boswachter en de houtvester. Een
bijzonder bezoek, want de boswachter vroeg of Geert leerling
boswachter wilde worden en dat wilde hij natuurlijk graag. De
houtvester maakte hem daarop direct leerling boswachter met een
beloning van achttien gulden per week. Hij zag deze gebeurtenis als
een Godsgeschenk; als een pleister op de wonde van zijn
liefdesverdriet. Bij de Nederlandsche Heidemij moest hij nu een
tweejarige cursus gaan volgen. Slechts twee leerlingen van het
Staatsbosbeheer konden aan de cursus deelnemen. Het loon werd
doorbetaald. Na ongeveer twee en een half jaar leerling boswachter
te zijn geweest, ca 1929, was Geert nog niet aan de beurt en vroeg
de boswachter hem alvast toelatingsexamen te doen. De helft van de
kosten werden door een beurs gedekt en de boswachter zou hem de
andere helft kosteloos lenen. Begin april 1929 deed Geert
toelatingsexamen en na enkele dagen kreeg hij bericht dat hij
aangenomen was. Angst voor het lenen van geld maakte dat hij terug
schreef niet aan de cursus te kunnen deelnemen. De boswachter zocht
hem op zijn werk op en vroeg naar de stand van zaken. Geert zei de
cursus afgeschreven te hebben omdat hij de lening niet kon
aanvaarden. Je moet direct schrijven dat je de cursus wel gaat
volgen, zei die hem, want mocht je door omstandigheden niet terug
kunnen betalen, dan schenk ik je geld.
De studie was zowel theoretisch als praktisch. De theorie werd in
Arnhem gegeven. Op heel veel plaatsen in het land werden de stages
gedaan en de eerste stage was in Goor in Overijssel, in mei 1929.
Daarbij hoorden ook de nodige kosthuizen. In Goor hielp een oud
leerling daar een pension vinden. Samen met een andere leerling werd
met de arbeiders uit de omgeving een perceel bosgrond geëgaliseerd.
Geert had geen moeite met het opgedragen werk, want hij kende dat
van het staatsbosbeheer. Als leerlingen werden zij beloond met 30
cent per uur, wat Geert heel behoorlijk noemde. Hij dacht zich te
herinneren dat het perceel bij het landgoed Twickel hoorde. Jonker
was de opzichter aldaar. Zijn tweede stage was in Tilburg, ook weer
met twee leerlingen en zij verdienden daar achttien gulden per week.
Bij een stage in Drachten , ontmoette Geert in een kerkdienst in
Harkema-Opeinde zijn hoofdonderwijzer, die zoveel voor hem betekend
had. Na zijn examen werd Geert voor een hele dag bij de familie
Haakma uitgenodigd. De boswachter wilde de lening niet terug betaald
hebben. Na afloop van de gehele cursus volgde de echte praktijk.
Vele malen is Geert overgeplaatst, wel zo’n veertig keer. Hij telde
zijn zegeningen, maar raakte toch wat van God verwijderd zo vanaf
zijn zevenentwintigste jaar. Bijvoorbeeld ging hij i.p.v. zondags
naar de kerk fijn motor rijden.
Vader Ham ging op zijn vijftigste nog fietsen; daarvoor legde hij
alles te voet af. Bij het huisslachten werden vele kilometers
afgelegd, met het meetorsen van de benodigde materialen. De afstand
werd tweemaal afgelegd, want de ene dag werd het varken geslacht en
de andere dag klaargemaakt voor het inzouten in de kuipen. Vader Ham
heeft ook nog gewerkt in de transportslagerij in Hoogeveen, maar het
werk was te zwaar en de afstand te groot.
Jammer, dat we zo weinig over opoe Ham hebben vernomen, maar
misschien hoor ik van familie nog wat bijzonderheden. Bij een bezoek
aan het boerderijtje in Drenthe, zat opoe kaarsrecht voor haar
kabinet, opa zat in zijn “rookstoel voor de Engelse haard”. Opoe
haalde uit haar kabinet voor ons kinderen een glanzend opgewreven
rode appel en dat vond ik heel bijzonder toen. Buiten stond de geit;
opoe zwoer bij geitenmelk, want die was heilzaam. Geen electriciteit,
geen water, maar een gaslamp en een regenput. Het land liep tot aan
een bosrand. Geslapen werd er nog in de bedstee. Geert sliep als
kind, met de andere kinderen uit het gezin, op de zolder. In de
winter waaide de sneeuw soms door de kieren naar binnen.
(wordt vervolgd.??)
Middelburg, 10-6-2010, Tineke Ham. |